Een beetje genot is ook genot

In de uitzending van My Personal Finance op New Business Radio van dinsdag 1 september besprak Raymond Mars, directeur van Stichting RegisterExecuteur, een uitspraak van het gerechtshof Den Haag over artikel 10 van de Successiewet. Een moeder verkocht haar woning aan haar dochter en bleef er wonen. Omdat zij daarvoor geen vergoeding betaalde, telde de inspecteur de woning bij haar overlijden alsnog mee in de erfbelasting. De aanslag viel daardoor ruim veertigduizend euro hoger uit.

Wat er gebeurde

Op 17 december 2014 verkoopt en levert een moeder haar woning aan haar dochter. De koopsom bedraagt € 155.000. De woning is vooraf getaxeerd op € 110.000, rekening houdend met het recht van bewoning van moeder. De koopsom wordt op hetzelfde moment omgezet in een lening en vervolgens kwijtgescholden. Moeder maakt daarbij gebruik van de verruimde eenmalige vrijstelling die in 2014 gold, de zogenoemde jubelton, die destijds nog zonder leeftijdsgrens kon worden toegepast.

Moeder blijft daarna samen met haar dochter in de woning wonen, tot haar overlijden in 2015. De dochter is enig erfgenaam en doet aangifte erfbelasting. De woning laat zij buiten die aangifte, want die was al vóór het overlijden overgedragen. De inspecteur denkt daar anders over en betrekt de woning voor € 204.000 wel in de grondslag.

Waarom de inspecteur dat mag

De grondslag voor de erfbelasting bestaat uit alles wat krachtens erfrecht wordt verkregen, aangevuld met de fictieve verkrijgingen. Dat zijn waardeoverdrachten die de Successiewet gelijkstelt met een erfrechtelijke verkrijging. De bekendste is de uitkering uit een levensverzekering, geregeld in artikel 13. Ook de 180-dagenregeling van artikel 12 hoort in dat rijtje: schenkingen die binnen 180 dagen voor het overlijden zijn gedaan, worden opgeteld bij de erfrechtelijke verkrijging. Zonder die bepaling was de heffing te drukken door het vermogen te splitsen: eerst een deel schenken, de rest laten vererven. Twee keer de eerste schijf van tien procent kost minder dan één keer doorschuiven naar twintig procent.

In deze zaak draaide het om artikel 10. Die bepaling staat in verschillende gedaanten al sinds 1897 in de wet en is bedoeld om te voorkomen dat vermogen dat zou vererven, wordt omgezet in een genotsrecht dat bij overlijden vanzelf eindigt. Onder fiscalisten circuleert daarover een gezegde dat de strekking goed samenvat: al is de constructie nog zo snel, artikel 10 achterhaalt haar wel.

Het eerste lid werkt zo. Heeft iemand iets verkregen ten koste van het vermogen van de erflater, en behield de erflater tot aan zijn overlijden het genot daarvan? Dan geldt die verkrijging als een erfrechtelijke verkrijging. Het derde lid bevat een uitzondering: wie jaarlijks daadwerkelijk ten minste zes procent van de waarde van dat genot betaalt, valt buiten de bepaling. Moeder heeft over de periode van 17 tot en met 31 december 2014 niets betaald. Daarmee ging de uitzondering niet op.

Rechtbank en hof kwamen tot verschillende uitkomsten

De rechtbank stelde de dochter in het gelijk en ging uit van het civielrechtelijke vruchtgebruik: een beperkt recht dat bij notariële akte wordt gevestigd. Dat was hier nooit gebeurd, dus was er volgens de rechtbank geen vruchtgebruik en gold artikel 10 niet.

Het hof keek naar artikel 18 van de Successiewet. Dat artikel rekt het begrip vruchtgebruik op tot een economisch begrip en schaart daar ook vruchtgenot, gebruik en bewoning onder. Moeder bleef in de woning wonen en behield het genot ervan, zonder daarvoor te betalen. In de parlementaire behandeling is dat uitgangspunt met zoveel woorden vastgelegd in het adagium waar Raymond deze aflevering aan ophing: binnen het stelsel van artikel 10 is een beetje genot ook genot. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en liet de aanslag in stand.

Een fiscale procedure begint met bezwaar bij de inspecteur, daarna beroep bij de rechtbank, vervolgens hoger beroep bij het gerechtshof en als sluitstuk cassatie bij de Hoge Raad. Deze zaak strandde voor de dochter bij de derde stap.

Dezelfde regel bij de schenking op papier

De praktische betekenis reikt verder dan overdrachten van woningen. Bij een schenking op papier, formeel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid, geldt dezelfde eis: over het schuldig erkende bedrag moet jaarlijks werkelijk zes procent rente worden overgemaakt. In de praktijk komt Raymond het regelmatig tegen dat mensen vol goede moed beginnen en na een paar jaar de betaling vergeten, in de veronderstelling dat het zo’n vaart niet loopt. De Belastingdienst kijkt daar strikt naar.

Inhalen kan onder voorwaarden, maar na een overlijden is die deur dicht. Zorg dus dat u per 31 december bij bent. Overlijdt iemand in de loop van het jaar, dan wordt gekeken of de voorgaande kalenderjaren netjes zijn afgewikkeld. Wie de betaling laat lopen, verspeelt bovendien een voordeel: die zes procent rente verhuist elk jaar naar de ontvanger, zonder dat daar een nieuwe schenking voor nodig is.

En dan die zes procent

Het percentage ligt sinds 1980 vast. In de Voorjaarsnota 2026 heeft het kabinet aangekondigd de forfaits in de schenk- en erfbelasting te willen moderniseren, waarbij een verlaging naar ongeveer drie procent wordt genoemd met 1 januari 2028 als beoogde ingangsdatum. Raymond plaatst daar kanttekeningen bij. De zes procent is een forfaitair percentage dat in veel regelingen terugkeert en dat naar zijn oordeel aansluit bij de praktijk. Of een verlaging de belastingopbrengst verhoogt, betwijfelt hij. Wel voorziet hij een reeks procedures, met dezelfde dynamiek als eerder in box 3.

De volledige aflevering van My Personal Finance is hier terug te luisteren. Vragen over artikel 10, over schenkingen op papier of over de fiscale gevolgen van een overdracht binnen de familie? De ExpertiseDesk van Stichting RegisterExecuteur denkt mee. Stuur gerust uw vraag in.

Bron: Gerechtshof Den Haag 26 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:992.

Thema's in dit bericht: